Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
redactie Spreekuur Thuis
 


lettergrootte: A  A  A
Afwijkende bekkenstanden

Vooral met betrekking tot klachten van de iliolumbale ligamenten (zie Ligamentaire klachten) lijkt de stand van het bekken van belang. Een afwijkende bekkenstand zou bovendien ook gemakkelijker kunnen leiden tot de veelvoorkomende SI-gewricht blokkering (zie Blokkeringen). We maken onderscheid tussen een bekken ‘scheefstand’ en een bekken ‘verwringingsstand’.

Bekkenscheefstand
We spreken van een bekkenscheefstand als een bekkenhelft in zijn geheel aan de ene kant lager staat dan de andere kant. Zowel aan de voorkant, aan de zijkant als aan de achterzijde staat het bekken dan eenzijdig lager. Dit komt voor bij een eenzijdige beenverkorting. Indien het linkerbeen korter is dan het rechter, zal ook de linker bekkenhelft lager staan dan de rechter bekkenhelft. In de orthopedie beschouwt men een beenlengteverschil van minder dan 2 cm nog als acceptabel en verwacht men er geen problemen van. Veel alternatieve geneeswijzen en behandelaars van het bewegingsapparaat zoals chiropractoren, osteopaten en manueel geneeskundigen, achten een dergelijk verschil toch te groot en vrezen dat hierdoor blokkeringen van bekkengewrichten en van de wervelkolom kunnen ontstaan.
Behalve van asymmetrie door aanlegfoutjes kan de scheefstand ook het gevolg zijn van een afwijkende stand van het heupgewricht. Bij artrose van het heupgewricht kan de heup niet meer volledig strekken en staat men noodgedwongen in een gebogen houding. Dit leidt dan eveneens tot bekkenscheefstand.
Bekkenscheefstand leidt uiteraard tot een, veelal geringe, scoliose van de wervelkolom, teneinde in balans te blijven.

Figuur 35

Bekkenverwringing
Een fenomeen dat vaak miskend wordt en bovendien nogal eens aanleiding tot misverstanden geeft is de ‘bekkenverwringing’.
Bij een bekkenverwringing staat de ene bekkenhelft ten opzichte van de andere bekkenhelft naar achter gedraaid. Van onderstaand bekkenpreparaat zou je kunnen zeggen dat het verwrongen staat.
De rechterkant staat naar voor gekanteld, terwijl links achterover wil. Bij het onderzoek vind je dat aan de voorzijde de linkerkant hoger staat, maar aan de achterzijde staat links juist lager. Aan de zijkant valt het verschil wel mee. Soms leidt dat tot het volgende misverstand: ‘Hoe kan dat nu dokter? Mijn therapeut zei dat mijn linkerbeen waarschijnlijk iets te kort is, maar de podotherapeut zei dat het juist andersom was, terwijl de orthopeed beweert dat ik die hakverhoging maar beter weg kon laten, want dat hij géén verschil zag.’
Dit kan wanneer de fysiotherapeut het bekken van de achterzijde beoordeelt, terwijl de podotherapeut aan voorkant en de orthopeed van opzij kijkt.
Hoe een dergelijke bekkenverwringing ontstaat, is niet altijd duidelijk. Een mogelijkheid is dat de iliopsoas aan de linkerzijde té hard trekt, waarbij het bekken aan de linkerkant de neiging heeft om achterover te kantelen zoals afgebeeld in figuur 36. Ook denkt men dat wanneer de bovenste halswervel, de atlas, gedraaid staat, het bekken de neiging heeft om tegengesteld te draaien, waardoor de ‘bekkenverwringing’ ontstaat. Behandeling van de atlas zou daarbij tot herstel van de bekkenverwringing leiden.
Bij onderzoek is de bekkenverwringing het best vast te stellen aan de hand van het zogenaamde ‘variabel beenlengteverschil’. Dit betekent dat de beenlengte in liggende en zittende houding verschillend is. Lijkt in liggende houding de lengte van het linkerbeen 1 cm korter dan rechts, in zittende houding blijkt hij plotseling 1 cm langer te zijn! Dit is typisch voor de bekkenverwringing.
Bekkenverwringing heeft dus alles te maken met asymmetrische spierspanning, wat snel kan leiden tot blokkeringen in rug en nek en dus tot hoofdpijn en rugklachten (zie Blokkeringen).
Figuur 36




terug