Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
redactie spreekuurthuis
 


lettergrootte: A  A  A
Oorzaken van depressie

 
Als een patiënt eenmaal weet dat hij aan een depressie lijdt, wil hij uiteraard ook weten waardoor dat komt. Als je daar eenmaal een idee van hebt, zo wordt geredeneerd, is het misschien ook mogelijk te herstellen. Maar het vaststellen van een oorzaak is geen eenvoudige opgave, omdat tal van zaken daarbij een rol spelen.



Iemand die ziek is, wil altijd graag weten waardoor dat komt. Want als je de oorzaak kent, weet je in welke richting je genezing moet zoeken. Voor depressie ligt dat niet zo eenvoudig. Er is nooit één enkele oorzaak aan te wijzen. Het is altijd een optelsom van verschillende factoren. Kort door de bocht gaat het om deze drie: aanleg, persoonlijkheid en omstandigheden. Voor een goed begrip gaan we dit verder uitwerken en gebruiken daarbij het ‘biopsychosociale model’. Dat model bestaat uit drie onderdelen en op elk van die delen vinden we factoren die gezamenlijk bij iemand een depressie veroorzaken. Het model komt overeen met drie basiswetenschappen: biologie, psychologie en sociologie. We gaan uitvoerig in op ieder van deze gebieden.
Twee dingen zijn belangrijk om daarbij steeds te bedenken. Allereerst dat de verschillende factoren die per persoon zorgen voor een depressie wel in grote lijnen over de drie gebieden verspreid liggen, maar dat zij elkaar onderling weer beïnvloeden en zeker niet op zichzelf staan. Ten tweede dat we bij ieder (deel van) de oorzaak direct doordenken wat dat voor mogelijkheden geeft voor de behandeling.



Biologie
Biologische factoren zijn deels erfelijk bepaald, deels ‘gewoon’ aangeboren; wij spreken van aanleg, genetische constitutie, biologische kwetsbaarheid; daarnaast spelen er andere biologische factoren die ontstaan in de loop van je leven, die noemen we ‘verworven’; zoals je lichamelijke gezondheid in het algemeen, je voedingstoestand en je conditie.
We beginnen met hoe je er lichamelijk voor staat, de lichamelijke constitutie: heb je een sterk of minder sterk lichaam ? Ben je vatbaar voor griep of ben je nooit ziek? En hoe is je conditie? Beweeg je genoeg, eet je gezond, rust je op tijd uit? Een gezonde geest huist bij voorkeur in een gezond lichaam. En omgekeerd kan een ongezond lichaam psychische kwalen, waaronder een depressie, in de hand werken. En voor een deel kun je daar zelf iets aan doen, voor een deel hangt het af van de omstandigheden waarin je je bevindt en voor een deel is dat erfelijk bepaald. Je aanleg, ofwel je genetische constitutie. Dit onderdeel is zo belangrijk dat we er speciale aandacht aan gaan geven.


Doorgeven aan kinderen?
‘Kan depressie erfelijk zijn? Nu ik erop terugkijk, besef ik dat mijn moeder perioden van depressie heeft gehad, hoewel ze er nooit een dokter voor heeft bezocht. Kan ik dit geërfd hebben en kan ik het ook weer doorgeven aan mijn kinderen?’
Het antwoord bestaat uit een ja en een nee. Een depressie is een complex ziektebeeld, dat veroorzaakt wordt door een optelsom van verschillende oorzaken. Het onderzoek naar de erfelijkheid van alle mogelijke eigenschappen, waaronder de kans om een ziekte te krijgen, is in volle gang. Chemische structuren, de DNA-ketens, vormen de genen waaruit ons erfelijk materiaal bestaat. De verwachting is dat men in de toekomst ontdekt dat de aanleg om een depressie te ontwikkelen, vastligt op bijvoorbeeld achttien plaatsen op zeven verschillende genen. Met andere woorden, een deel van de oorzaak van het feit dat de ene persoon sneller een depressie ontwikkelt dan de ander, wordt bepaald door erfelijke factoren. We zien dan ook niet zelden dat een depressieve patiënt een of meer personen in zijn familie heeft die eveneens depressief (geweest) zijn. Dus depressie is een ziekte die via de genen van ouder op kind kan worden doorgegeven.
Maar nu de andere kant van het verhaal. Wat iemand meemaakt in zijn jeugd is minstens zo belangrijk. Wie als kind opgroeit met een moeder die altijd ziek is, die regelmatig aan depressies lijdt met alle narigheid daaromheen, kan onbewust het idee ontwikkelen, dat het ‘normaal’ is depressief te zijn. Het leren tijdens onze jeugd bestaat voor een groot deel uit het afkijken van het gedrag van onze ouders en andere belangrijke volwassenen. Op deze manier kan iemand als het ware depressief gedrag aangeleerd krijgen. Als hij zich later als volwassene ook depressief gaat gedragen, is het nog maar de vraag of dit een gevolg is van ‘depressieve genen’ of van het onbewust imiteren van een slecht voorbeeld.
In de praktijk is het verschil tussen aangeboren en aangeleerd niet zo absoluut. Beide processen spelen een rol. Welke adviezen kunnen we jou het beste geven met het oog op de opvoeding van je eigen kinderen?
• Bedenk dat de erfelijke factor nooit zo zwaar meeweegt dat een deskundige ouders zal afraden om kinderen te krijgen.
• Kinderen kunnen tegen een stootje. Als je vanwege een depressie een tijdlang minder goed voor ze hebt kunnen zorgen dan je zou willen, kunnen de gevolgen achteraf toch meevallen. Kinderen voelen als het ware door je depressie heen wat je echt voor ze voelt. En wanneer je je weer beter voelt, halen ze hun schade dubbel en dwars in.
• Het is belangrijk welk voorbeeld je hun geeft. Iedereen gunt jou en je gezin natuurlijk een leven van louter rozengeur en maneschijn, maar zo werkt dat in de praktijk niet. Het als gezin samen meemaken, bevechten en overwinnen van tegenslagen, zoals een depressie van een der ouders, vormt een wezenlijke ervaring voor kinderen. Het zal hun leren om sterker te staan als hun later onverhoopt ook een dergelijke ramp overkomt.
• Depressie is een zeer veel voorkomende ziekte en jouw kinderen kunnen er in de toekomst ook last van krijgen. Of ze de aanleg daartoe nu van jou geërfd hebben of niet. Er zijn zoveel mogelijke oorzaken dat niemand ze allemaal kan voorkomen. Maar een belangrijk verschil is dat de behandelmogelijkheden voor jou al veel gunstiger zijn dan die in de tijd van je moeder. En verwacht wordt dat deze lijn zich in de komende jaren zal doorzetten. Depressie wordt als ziekte steeds beter in een vroeg stadium herkend en is ook met een steeds beter resultaat te behandelen.



Erfelijkheid
Genetica, een belangrijk onderdeel van de biologie, is de wetenschap die zich bezighoudt met erfelijkheid. Eigenschappen worden van generatie op generatie overgedragen via de genen. Dat zijn onderdelen van de ­lichaamscellen die erfelijke eigenschappen en ‘informatie’ in zich dragen. Zij vormen chromosomen – ingewikkelde eiwitstructuren die alleen met een sterke microscoop te zien zijn. De mens heeft gewoonlijk 46 chromosomen (23 paar), die samen het erfelijke materiaal vormen, het DNA. Iemand wordt bijvoorbeeld geboren met blond krullend haar en bruine ogen, en je begrijpt: het blonde haar is van de moeder, de krullen komen van oma en de bruine ogen van de pizzabezorger. Natuurlijk worden veel meer eigenschappen overgeërfd: de aanleg voor wiskunde en de ‘talenknobbel’, maar ook de aanleg om borstkanker te krijgen, om aan alcohol verslaafd te raken en nog veel meer. Je komt ter wereld met een volle genetische rugzak. Met sommige dingen ben je blij, maar andere maken je het leven extra moeilijk. Je krijgt overigens maar één rugzak en daar moet je het mee doen.
Iedereen kan in principe depressief worden – onder de juiste (dat wil zeggen: slechte) omstandigheden. De ene mens makkelijker dan de andere. Als iemand in een bepaalde situatie depressief wordt of niet schatten we het aandeel van erfelijke factoren daarbij op 50 procent. Die andere 50 procent hangt af van de omstandigheden en de aanwezigheid van belastende of juist beschermende factoren die liggen op de twee andere gebieden. Bijvoorbeeld of je jezelf, vanuit een goede jeugd, hebt toegerust met een deugdelijke afweer tegen tegenslag en ellende (of juist niet). Bij een behandeling maken we hier ook gebruik van. Als je aanleg hebt om depressief te worden, kunnen we die aanleg niet wegtoveren of ‘repareren’. Maar we kunnen je wel leren om anders met problemen om te gaan – om weerbaarder te worden, beter voor jezelf op te komen en je emoties uit te spreken in plaats van ze op te kroppen. Het is van belang verdriet goed te uiten, om frustrerende ervaringen met anderen te delen, je uit te spreken tegenover mensen die van je houden. En als er niemand van je houdt, is ook daar wel wat aan te doen: je kunt om te beginnen leren van jezelf te houden.


‘Biologische kwetsbaarheid’ en ‘genetische constitutie’
We gaan wat dieper op deze lastige materie in. Ons totale genetische materiaal, de hele rugzak, vormt onze genetische constitutie. Sommigen onder ons lopen meer risico op depressie dan anderen vanuit deze constitutie en dat maakt hen ‘biologisch kwetsbaar’. Wat betekent dat nu, een genetisch risico?
Ergens in de vorige eeuw ontdekte men dat sommige erfelijke ziekten veroorzaakt worden door een afwijking op een van de chromosomen. Chromosomen vormen het erfelijk materiaal waarvan een nieuw individu wordt voorzien; voor de helft van de kant van moeder en voor de andere helft van vader. Deze chromosomen zijn opgebouwd uit genen. Geleidelijk werden alle genen van de mens in kaart gebracht. Bij ieder mens vormt dit een uniek patroon, het genotype. Het eerste idee was dat we in staat zouden zijn om een verband te vinden tussen fouten op een gen en bepaalde afwijkingen of ziekten bij de drager van dat gen. De volgende stap zou dan gentherapie zijn: het afwijkende gen repareren. Helaas blijkt de werkelijkheid weerbarstiger en veel gecompliceerder dan aanvankelijk werd gedacht. Stoornissen in de gezondheid worden slechts bij hoge uitzondering veroorzaakt door één enkel afwijkend gen. Het zijn allerlei combinaties van zwakten in een groot aantal genen die met elkaar de kans bepalen of een aanleg tot een of andere ziekte of stoornis zich zal uiten. Hoe meer potentiële zwakheden, hoe groter de biologische kwetsbaarheid. Tegenover de zwaktes staan echter ook weer genetische eigenschappen die deze zwakke punten geheel of gedeeltelijk kunnen opheffen. Het is een ingewikkeld samenspel van genetische krachten, waar we nog maar het allereerste begin van hebben ontdekt. De genen zijn zo belangrijk, omdat zij via de productie van bepaalde eiwitten (proteïnen) invloed hebben op bepaalde hersencircuits. De verschillende delen van ons zenuwstelsel zijn verantwoordelijk voor al ons denken, doen en voelen. Zij staan voortdurend met elkaar in verbinding en vormen zo circuits. Deze verbindingen worden onder andere onderhouden door een speciaal soort chemische boodschappers, waarvan serotonine en noradrenaline bekende voorbeelden zijn. Van deze twee boodschappereiwitten (neurotransmitters) is het meest aannemelijk gemaakt dat zij betrokken zijn bij het optreden van angst en depressie.


Voorbeeld van een genetisch risico
Laten we naar het zogenoemde slc6a4-gen kijken. Dit gen is nodig bij de vervaardiging van serotonine. Het bestaat uit twee delen die men allelen noemt en die voorkomen in een korte en een lange variant. Bij onderzoek is gebleken dat het korte ‘serotonine-gen’ abnormaal sterke reacties oproept in de amygdala (een belangrijk centrum in onze hersenen) wanneer proefpersonen worden blootgesteld aan provocerende visuele beelden (waarmee stress wordt opgewekt). De twee allelen van hetzelfde gen werken verschillend: het ‘lange’ serotonine-gen zorgt voor minder activering van de amygdala waardoor er minder kans is op affectieve stoornissen (dat wil zeggen klachten en symptomen die wij associëren met angst en depressie) en het ‘korte’ serotonine-gen zorgt voor meer activering van de amygdala waardoor er meer kans is op affectieve stoornissen. Stel dat een kind van beide ouders het bewuste gen erft met van ieder de variant met de korte allel. Hierdoor is vanuit een genetische constitutie de kans vergroot dat het kind bij stress meer zal reageren met bijvoorbeeld angst en depressie. Als het kind letterlijk is gezegend met van beide ouders de lange variant, dan zal dit kind relatief beter opgewassen zijn tegen dezelfde hoeveelheid stress. Met zowel een kort als een lang allel ligt het risico ertussenin. Zoals gezegd, één zwakte in ons genotype heeft nauwelijks betekenis. Maar hoe zit dat met een groter aantal zwakke schakels?
Het risico is te vergelijken met de Golden Gate-brug in San Francisco. Als van de brug een aantal ophangkabels ontbreekt, is de brug nog niet ‘ziek’ in de zin dat er niets meer overheen kan rijden. Een Fiat Panda zal met gemak de andere kant halen en een zware vrachtwagen zelfs ook. Ter vergelijking: een patiënt met een paar afwijkende circuits zal nog niets merken, ook niet bij toenemende stress. Wanneer er echter meer genetische afwijkingen zijn, dus meer ‘slechte’ genen, dan ontbreken er steeds meer ophangkabels aan de brug en zal de Panda nog steeds de overkant halen, maar belandt de zware vrachtwagen in het water. Bij meer slechte genen is de patiënt dus toenemend kwetsbaar. Bovendien bepalen de circuits die beschadigd zijn het soort klachten of afwijkingen dat optreedt. Ter illustratie noemen we hieronder een aantal hersengebieden die bij depressie een rol spelen.





‘Emotionele’ hersengebieden
Vooral de prefrontale cortex, de amygdala, de nucleus accumbens en de hypothalamus spelen een belangrijke rol in onze emotionele leefwereld. Als een depressie zich aandient, dan zijn deze hersenkernen verantwoordelijk voor de gevoelens die we in onderstaand schema kunnen zien.



Wetenschappelijk onderzoek
Een van de belangrijkste ontwikkelingen in deze tak van wetenschap is dat we tegenwoordig zichtbaar kunnen maken wat er in de hersenen gebeurt. Het heet ‘beeldvormend onderzoek’ en met speciale technieken kunnen we in principe bij een patiënt zichtbaar maken welke hersengebieden harder werken en welke minder hard en daarmee bewijzen dat er bijvoorbeeld een depressie in het spel is. We kunnen de depressie op de foto zetten! Helaas gebeurt dat alleen nog maar bij speciale onderzoeken die met speciale apparatuur in speciale wetenschappelijke centra worden uitgevoerd, maar het resultaat is er niet minder om. In de toekomst zal het geleidelijk mogelijk worden om meer mensen op deze manier te onderzoeken, waarbij we meer kennis en inzicht krijgen in het ziektebeeld depressie en per patiënt beter kunnen zien waar het mankement zit. We kunnen dan gerichter gaan behandelen en als de behandeling aanslaat, kunnen we dat vervolgens ook weer zichtbaar maken.

Serotonine en noradrenaline
Er bestaan diverse neurotransmitters en ongetwijfeld worden er nog meer ontdekt. Voor depressie (en angst) zijn serotonine en noradrenaline – volgens onze huidige wetenschappelijke kennis – het belangrijkste. En het best onderzocht. Deze twee stoffen kunnen overal invloed uitoefenen waar zich geschikte plaatsen bevinden, receptoren genoemd, waar zij zich aan kunnen hechten. Deze receptoren (‘ontvangers’) bevinden zich niet alleen binnen de hersenen, maar op veel meer plaatsen in het lichaam, met gevolgen voor allerlei processen. In veel gevallen van depressie is aangetoond dat er een stoornis, een disregulatie (‘ontregeling’), bestaat van het serotonine- en/of het noradrenalinesysteem. Het ligt voor de hand dat deze disregulatie dan ook gevolgen zal hebben voor andere gebieden die onder invloed staan van deze neurotransmitters. Receptoren in het spijsverteringskanaal kunnen dan bijvoorbeeld maag-darmklachten veroorzaken.



Neurotransmitters
Naast serotonine en noradrenaline zijn er op het ogenblik zo’n zestig verschillende neurotransmitters bekend. Van sommige andere is ook al antidepressieve medicatie afgeleid (dopamine, melatonine), van andere kan dat mogelijk nog volgen; terwijl ook naar effectieve stoffen op andere basis druk onderzoek wordt gedaan.


Een aanvullende theorie die het veelvuldig samengaan van depressie en pijnklachten verklaart, heeft betrekking op de manier waarop signalen reizen langs de zenuwverbindingen tussen onze hersenen en de ontelbare receptoren overal in ons lichaam, in twee richtingen. De eerste richting is van boven naar beneden: onze hersenen bedenken dat we onze rechterhand moeten uitsteken en de daartoe benodigde signalen worden uitgezonden langs de zenuwbanen in de wervelkolom en verder. De tweede loopt van beneden naar boven: onze rechterhand stuit af op een muur en langs opstijgende zenuwbanen wordt het brein daarvan op de hoogte gebracht, in afwachting van verdere orders. Deze opstijgende banen geven ook informatie over allerlei onvolkomenheden die onze hersenen voelen als pijn. De muur kan hard zijn, of gloeiend heet. Bij een disregulatie van de zenuwbanen die onder invloed staan van de twee eerdergenoemde belangrijke neurotransmitters – die ook informatie naar boven sturen over de toestand ter plaatse – zou heel goed een gevolg van de ontregeling kunnen zijn dat de hersenen meer pijnsignalen ontvangen dan onder normale, gezonde omstandigheden. Of dat ze meer signalen als pijn interpreteren, dan ze eigenlijk zouden moeten.



‘Zwakke geslacht’?
‘Waarom zijn vrouwen vatbaarder voor depressie dan mannen? Heeft het met hormonen te maken en betekent dit dat we echt “het zwakke geslacht” zijn?’
Om met dat laatste te beginnen: ‘het zwakke geslacht’ is een onzinnige uitdrukking die gebruikt wordt door mannen met een minderwaardigheidscomplex of die domweg jaloers zijn op de sterke vrouwelijke eigenschappen. Tenslotte worden vrouwen gemiddeld ouder en tonen ze zich onder barre omstandigheden betere overlevers dan mannen. Een wereld zonder mannen heeft nadelen, maar een wereld zonder vrouwen is ondenkbaar.
Ondertussen tonen de statistieken wel aan dat ongeveer tweemaal zoveel vrouwen aan een depressie lijden dan mannen. Daarvoor zijn verschillende verklaringen aangedragen. Zo praten vrouwen gemakkelijker over hoe ze zich voelen. Vrouwen zijn meer geneigd hun dokter op te zoeken voor allerlei klachten en daardoor kan depressie mogelijk eerder en vaker bij vrouwen worden geconstateerd. Daarnaast is de rol van de vrouw in het gezin en de maatschappij mogelijk van belang.
De invloed van vrouwelijke hormonen op depressie is nog onduidelijk, maar er is zeker een verband. Sommige vrouwen hebben last van somberheid vóór of vlak na hun ongesteldheid. Andere vrouwen lijden voor het eerst tijdens of na de overgang aan depressie. Ten slotte zijn de stemmingswisselingen rond menstruatie en zwangerschap alom bekend.
De behandeling van vrouwen bij wie de depressie verband houdt met hormonale veranderingen dient niet alleen antidepressiva te omvatten, maar tevens andere behandelingen die gericht zijn op herstel van de hormonale balans.
Overgang
‘Het lijkt alsof mijn depressie samenhangt met de overgang. Waarom overkomt mij dit?’
Dat is een korte vraag die evenwel vraagt om een uitgebreid antwoord. Het eerste deel van je vraag, en dus van het antwoord, betreft de samenhang tussen depressie en overgang. Het tweede deel gaat erover waarom juist jij slachtoffer bent geworden.
Depressie is een complexe psychiatrische stoornis. Met complex wordt bedoeld dat de depressie veel gezichten kan hebben; dat wil zeggen dat de ziekte er bij iedere patiënt net weer wat anders uit kan zien dan bij alle andere. En naast de verschijningsvorm is ook de oorzaak complex. De ziekte wordt niet door één ding veroorzaakt, maar het gaat om een optelsom van factoren die ieder op zich een duwtje geven in de richting van depressie en die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de depressieve stoornis zoals die er in een bepaald geval uitziet.
Het is bekend dat hormonale veranderingen tot de oorzaken van een depressie kunnen behoren. Bij vrouwen hebben we het dan over de menstruatiecyclus, de hormonale veranderingen rond een zwangerschap en ten slotte het proces van de menopauze of overgang.
Soms is het opspelen van de hormonen op zichzelf al voldoende om een depressie uit te lokken, maar meestal spelen er nog andere zaken een rol. In het geval van de overgang hebben we het vaak over ‘faseproblematiek’. Een vrouw met kinderen verlaat rond die tijd als het ware de fase in haar leven waarin zij kinderen kreeg en deze vervolgens verzorgde en opvoedde. Doordat de kinderen geleidelijk het huis uit gaan, verandert het werk van moeder en huisvrouw van karakter en datzelfde geldt voor het werk buitenshuis. Zowel voor de vrouw als voor haar partner. Veel mensen komen rond deze periode in de VUT, gaan met vervroegd pensioen of raken werkloos met, gezien hun leeftijd, extra weinig kans op werkhervatting. De klap van dit soort levensfaseproblematiek komt nog harder aan, wanneer er dingen niet goed gegaan zijn. Denk aan ongewenste kinderloosheid, aan slepende conflicten met kinderen, aan mislukte relaties, aan frustrerende werksituaties.
Hoe een individueel persoon de veranderingen op hormonaal gebied, die gepaard gaan met veranderende omstandigheden rond het ingaan van de volgende levensfase, verwerkt, hangt vervolgens van nog meer factoren af. Hoe is in het algemeen je instelling tegenover het leven? Ben je een zwartkijker of een binnenvetter, iemand die niet goed voor zichzelf kan opkomen? Of ben je iemand die problemen ziet als uitdagingen die je in goed vertrouwen en met een open vizier tegemoet treedt? Heb je genoeg hobby’s, sociale contacten en tijd voor jezelf om af en toe op adem te komen of juist niet? Al dit soort vragen kun je zelf het beste beantwoorden om daarmee tot een antwoord te komen op je eigen vraag: ‘Waarom overkomt mij dit?’
Als je er niet uitkomt, als gewone bezigheden en normale contacten met familie en vrienden je niet uit je depressieve stemming kunnen halen, dan is het raadzaam om professionele hulp te gaan zoeken.


Psychologie
De wetenschap die zich bezighoudt met het innerlijk leven (kennen, voelen en streven) en het gedrag van de mens, is de psychologie. Het gaat er om wat voor persoonlijkheid, karakter je hebt; hoe kijk je tegen problemen aan en welke manieren heb je in je ontwikkeling geleerd om jezelf te verdedigen tegen tegenslag. Persoonlijkheid is echter ook weer zo’n veelgebruikte term die niet zo makkelijk is uit te leggen. Wat is persoonlijkheid? Hetzelfde als karakter? Het gaat er om hoe iemand ís en hoe iemand vanbinnen in elkaar zit. Dat kun je niet zien – je kunt er geen foto van maken – maar je komt er bijvoorbeeld achter door te kijken hoe iemand reageert, hoe iemand zich gedraagt in bijzondere omstandigheden. De één loopt bij een brand hard weg, de ander gaat het gebouw binnen om nog iemand, met gevaar voor eigen leven, te redden: een kwestie van karakter. Karakter is ‘het kenmerkende, eigenaardige’ van iemand, zegt het woordenboek. Depressieve mensen hebben geen speciaal, ‘afwijkend’ karakter. Maar hoe meer karakter je hebt, hoe sterker je persoonlijkheid is, hoe steviger je in je schoenen staat, hoe beter je jezelf kent en weet wat je wel en niet aankunt, hoe beter je opgewassen bent tegen stress. En stress zorgt voor depressie. Daarom is een deel van de behandeling van depressie er ook op gericht om mensen bewuster en positiever over zichzelf te leren denken. Dat is niet makkelijk voor iemand die zijn hele jeugd te horen heeft gekregen dat hij nergens voor deugt. Depressieve mensen in het algemeen denken te negatief over zichzelf, ze vinden zichzelf waardeloos en verdwijnen het liefst van de aardbodem. Dat is de oplossing natuurlijk niet en daar doen we iets aan: door mensen te leren oog te hebben voor hun eigen kracht, hun positieve kwaliteiten. En zijn ze ergens niet goed in, dan moeten ze dat leren accepteren of ze moeten er iets aan doen. Een mens is nooit te oud om te leren. Een depressie biedt, zoals eerder gezegd, ook kansen. Kansen om er beter uit tevoorschijn te komen. Door aan jezelf te werken bijvoorbeeld, door je eigen deltaplan te maken.



Dysthymie
Er is een vorm van depressie die we ‘dysthymie’ of ‘dysthyme stoornis’ noemen. Het is een vorm van depressie die minder heftig lijkt dan de depressieve ‘episode’ die ieder mens kan overkomen. Maar het gemene zit erin dat deze depressieve stemmingsstoornis veel langer duurt en meestal al van jongs af aanwezig is, of vanaf de jonge volwassenheid. Mensen met dysthymie zijn zó lang achter elkaar – chronisch – depressief (al is hun depressie dan minder diep en kunnen ze er nog enigszins mee leven) dat het op den duur toch erg zwaar wordt. Ze kunnen zich niet herinneren hoe het zonder depressie is. De ziekte is een deel van hun persoonlijkheid geworden en sommige deskundigen spreken van een ‘depressieve persoonlijkheidsstoornis’. Als oorzaak ziet men een combinatie van erfelijke aanleg en slechte omstandigheden in de ontwikkeling in de jeugd. De behandeling bestaat uit dezelfde medicijnen die bij een ‘gewone’ depressie worden gegeven en uit een meestal langdurige vorm van psychotherapie.

Persoonlijkheidstheorieën
Hoe we over persoonlijkheid denken, hoe we menen dat bepaalde psychische klachten en afwijkingen (symptomen) zijn ontstaan en hoe we daarmee om kunnen gaan, eventueel met kans op herstel, wordt gevoed door verschillende theoretische modellen. De eerste en bekendste theorie, de psychoanalyse, werd ongeveer honderd jaar geleden ontwikkeld, door de Weense psychiater Sigmund Freud (1856-1939). Volgens hem worden psychische klachten, waaronder depressie, veroorzaakt door traumatische ervaringen die we vanaf onze vroegste jeugd hebben meegemaakt. Eigenlijk denken we dat heden ten dage in grote lijnen nog steeds: onze gevoelens en gedachten (met een mooi woord ‘cognities’) over bepaalde zaken (mensen, dingen, situaties enzovoort) ontstaan aan de hand van wat we meemaken. Wie van jongs af is opgegroeid in een gezin van hondenliefhebbers zal als volwassene hoogstwaarschijnlijk minder bang zijn voor honden dan iemand die nooit een hond van dichtbij heeft gezien. Of die er steeds voor is gewaarschuwd. Of mogelijk een keer onverwacht door gebeten.
De belangrijkste psychologische theorie die na Freud kwam, was de leertheorie. Deze zegt dat alles gedrag is, dat ontstaan is omdat we dat zo geleerd hebben. Ook pijn en verdriet uiten zich in bepaald gedrag, waaraan de buitenwereld kan merken wat er aan de hand is. Gedrag is aangeleerd, expres bij de opvoeding of per ongeluk ontstaan. Bijvoorbeeld een kind dat na lang huilen steeds een snoepje krijgt. Hij leert dat lang huilen een goede manier is om zijn doel te bereiken, maar als volwassen collega kan hij hiermee in moeilijkheden komen. De leertheorie leidt tot de gedragstherapie en die gaat uit van het principe dat wat je aangeleerd hebt, je ook kunt afleren. Dat klinkt eenvoudiger dan het is: afleren om je depressief te gedragen als je depressief bent!

De laatste dertig jaar zijn er steeds nieuwe veelbelovende theorieën ontwikkeld, die voor een deel geënt zijn op de bestaande, waar ze zich soms tegen afzetten, soms op voortborduren en soms nieuwe elementen toevoegen. De meest succesvolle theorieën van dit moment zijn genoemd naar de behandelmethode die ervan is afgeleid: cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke therapie, schematherapie. Deze laatste is een soort combinatie van de werkzame bestanddelen uit de psychoanalyse en uit de leertheorie. Als voorbeeld van een moderne theorie die geleid heeft tot een werkzame behandeling gaan we op deze laatste vorm wat dieper in.



Schematheorie
De schematheorie (ontwikkeld door Jeffrey E. Young) gaat ervan uit dat mensen in hun ontwikkeling allerlei patronen (schema’s) aanleren van denken en doen. Een simpel voorbeeld: als iemand u ter begroeting tegemoetkomt met uitgestoken hand is de kans groot dat u ook uw hand uitsteekt en dat u samen handen schudt. U denkt daar niet bij na, het is een automatische handeling. Ergens in de loop van uw opvoeding heeft u geleerd dat dit gepast gedrag is bij een ontmoeting. Maar in ons eigen land wonen vrouwen met een moslim-achtergrond, die geleerd hebben dat het onfatsoenlijk is om de hand te schudden van een onbekende man. Als we dat negeren en te lang aandringen geven we blijk van onvoldoende kennis van of respect voor hun cultuur.
Voor ingewikkelder aangeleerd gedrag geldt hetzelfde: in onze westerse wereld is het positief om uw collega’s en buren met vertrouwen tegemoet te treden, terwijl u in veel andere samenlevingen hardhandig leert dat u alleen op uw directe familieleden (soms) kunt vertrouwen. Achterdocht is daar normaal en gezond, mogelijk levensreddend, en wordt als een deugd gezien.
Nog ingewikkelder schema’s beslaan de combinatie van gedachten (cognities), gevoelens (emoties) en daaruit voortvloeiend gedrag. Als iemand als kind veel verdriet ervoer vanwege pesten, zou hij of zij daaruit de gedachte (opvatting, cognitie) kunnen ontwikkelen dat er iets niet deugt aan hem of haar; dat de anderen kennelijk een goede reden hebben voor hun negatieve gedrag. Het slachtoffer gaat zich schamen voor zijn veronderstelde tekortkomingen en ontwikkelt een minderwaardigheidscomplex, faalangst, een depressie of iets van dien aard. In therapie wordt onderzocht welke schema’s een negatieve invloed hebben op het gezonde functioneren en die schema’s noemen we onaangepaste of disfunctionele schema’s. Zij zijn disfunctioneel, omdat zij de persoon niet helpen, maar in de weg staan. Vervolgens is het zaak om hiervoor in de plaats functionele, gezonde schema’s te ontwikkelen. Een proces van herprogrammeren. Let wel, zonder schema’s kunnen we niet. Het overgrote deel van ons dagelijkse denken en doen is geautomatiseerd. Anders zouden we al onze tijd en energie moeten besteden aan basale, steeds terugkerende dingen. Een computer die niet is geprogrammeerd, werkt evenmin als een mens die niet is opgevoed.
Basisbehoeften
Ieder mens heeft vanaf zijn geboorte van alles nodig om goed te gedijen. Sommige zaken zijn mooi meegenomen, zoals steenrijke ouders of een wiegje in een veilig welvaartsland als Nederland. Andere zaken daarentegen zijn onmisbaar: de basisbehoeften, en tekorten op dit gebied leiden tot schade voor de gezondheid op korte of lange termijn. Veel ouders denken dat ze het helemaal goed doen als ze maar zorgen voor voldoende eten en drinken, onderdak en andere materiële dingen – van een warme winterjas tot een eigen spelcomputer. En kinderen die dit alles genoten hebben, menen in de regel ook dat zij niets te klagen hebben. Maar het ligt wat ingewikkelder. Uit onderzoek is gebleken dat dit de vijf belangrijkste basisbehoeften zijn:

veilige hechting aan anderen (als kind moet je je veilig voelen, geaccepteerd, in een stabiele en liefdevolle relatie met vader en moeder);
autonomie, competentie en identiteitsgevoel (in de opvoeding moet je als kind ook ruimte krijgen voor je eigen wil, je eigen zelfstandigheid en er achter komen wat je wel en niet zelf kunt en wat voor persoon je bent);
de vrijheid om uitdrukking te geven aan gerechtvaardigde behoeften en emoties (een kind moet leren hoe het zich kan uiten op een positieve, gezonde manier);
spontaniteit en spel, speelplezier (opvoeden is niet hetzelfde als drillen; het kind heeft het nodig om spontaan te mogen zijn, plezier te beleven);
realistische beperkingen en zelfbeheersing (maar te veel ruimte geven is ook een vorm van verwaarlozen; een kind heeft het ook nodig dat de ouders hem leren waar de grens ligt en dat hij zich moet kunnen beheersen).

Schema
De definitie van een schema luidt: een schema is een algemeen organiserend principe om een levenservaring te kunnen begrijpen. Bij die definitie hoort een toelichting. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een kind op het gebied van een van zijn basisbehoeften tekort komt? Soms is dat gemakkelijk. Zonder eten ga je dood of kom je in een pleeggezin; omdat je ouders uit hun ouderlijke macht zijn ontzet. Maar een kind dat onvoldoende liefde krijgt, waardoor het zich onvoldoende geaccepteerd voelt zoals het is en geremd wordt in zijn spontaniteit, hoe gaat dat? Mogelijk houden de ouders wel van hun kind, maar kunnen ze dat niet tonen. Zij hebben dat in hun jeugd nooit goed geleerd, of zijn te veel met zichzelf bezig, met problemen of zorgen, met hun werk of hobby’s. Of al hun aandacht gaat naar het chronisch zieke broertje. Hoe dan ook, een kind dat een dergelijk tekort ervaart in iets dat het fundamenteel nodig heeft, gaat altijd zoeken naar een verklaring om te begrijpen wat hem overkomt. Want het ergste dat ons mensen kan gebeuren, is dat wij geen idee hebben van wat ons te wachten staat, de ‘existentiële onzekerheid’. Zoals onze voorouders liever goden bedachten voor bliksem en ander onheil dan een onweer te accepteren als iets dat volledig buiten hun controle stond. Goden kun je in elk geval nog proberen gunstig te stemmen of je kunt je er actief aan onderwerpen.
Een mogelijke verklaring die het kind bedenkt, kan zijn dat hij niet de moeite waard is om aardig gevonden te worden. Deze primitieve gedachte of cognitie kan tot een uitgangspunt worden, een principe van waaruit het als het ware zijn toekomstige gedrag gaat organiseren. Het kind kan daardoor bijvoorbeeld opstandig worden: ‘Ik zal laten zien hoe onaardig ik ben, ik zal mij als een kleine etterbak gedragen’. Of juist het tegenovergestelde: ‘Ik zal laten zien dat ze het verkeerd hebben, ik zal een foutloos kind zijn waarop nooit iets aan te merken valt’. Op deze manier ontstaan schema’s die, wanneer ze niet ontkracht worden, steeds dieper inslijten en in belangrijke mate de persoonlijkheid vormen van het kind en de volwassene die hij zal worden.
Inmiddels heeft men een aantal regelmatig terugkerende schema’s gevonden. Deze hebben met elkaar gemeen dat zij een breed, algemeen verbreid thema of patroon vormen; bestaan uit herinneringen, emoties, cognities en lichamelijke sensaties, met betrekking tot zichzelf en de relaties met anderen; dat ze zijn ontstaan tijdens de kindertijd of adolescentie, gebaseerd op vroege levenservaringen, en in de loop van de tijd verder zijn uitgebreid.
De schema’s ontstaan als reactie op de omgeving, wanneer op de een of andere manier een of meer basisbehoeften te lang of te grondig genegeerd zijn. Aangeboren eigenschappen van het kind, zoals intelligentie en het emotionele temperament (het genetisch materiaal!) bepalen de aard van het schema dat gevormd wordt. In eerste instantie is het schema een noodzakelijk kwaad dat dient om erger – namelijk niet begrijpen wat er aan de hand is – te voorkomen. Het schema wordt disfunctioneel, wanneer het blijft voortbestaan in latere levensfasen, wanneer het kind al lang niet meer gepest wordt of zou kunnen inzien dat het tekort aan vader of moeder ligt en niet aan hem.

Schemaherstellend of -bevestigend
Kinderen nemen de schema’s uit hun jeugd met zich mee. Ervaringen die zij vervolgens later opdoen, kunnen een schema bevestigen. Iemand die perfectionisme heeft aangeleerd om een gevoel van onvolwaardigheid te compenseren, zal mogelijk ieder mislukt examen interpreteren als een bevestiging van zijn onvermogen. En daardoor zelf de ene na de andere mislukking in de hand werken. Dit noemen we dan ook schemabevestigend, overeenkomstig de Engelse uitdrukking: self fullfilling prophecy. Een andere persoon, behept met de rotsvaste overtuiging dat er niets goeds aan hem is, dat hij totaal onaantrekkelijk is, loopt tot zijn stomme verwondering in de armen van een fantastische vrouw. Misschien wel zo’n middelbareschoolvamp die ziek is geworden van alle kwijlende aanbidders met hun opgeklopte ego’s. Soms vinden zulke mensen elkaar en de liefdevolle relatie werkt bij hem dan in elk geval schemaherstellend. Het kan weliswaar even duren (schema’s zijn hardnekkig), maar op een zeker ­moment moet hij haast wel gaan geloven dat hij toch niet zo’n verkeerd persoon is als hij altijd had gedacht.
In het echte leven zoeken mensen helaas – onbewust – veelvuldig situaties waarin hun slechte schema’s bewaarheid worden. Liever een onaantrekkelijke zekerheid, dan het risico om na een korte periode van hoop des te dieper in de afgrond te belanden.
Hoe gaan mensen om met die erfenis uit hun jeugd, de onaangepaste schema’s? Dat doen ze grofweg op drie manieren, namelijk door:

overgave,
vermijding,
of overcompensatie.

De eerste manier zien we bijvoorbeeld in het geval van het onterechte minderwaardigheidsgevoel. Overgave betekent dan dat het slachtoffer zich niet verzet tegen het schema. Hij of zij berust in het gevoel van minder waard zijn dan anderen en stemt zijn gedrag daar op af. Plezierige, bescheiden collega’s, zichzelf wegcijferende vrienden, wie kent ze niet? Men neemt hen niet erg ­serieus, maar we zijn blij met hun onopvallende en dienende aanwezigheid.

De vermijders zorgen ervoor dat ze niet in situaties terechtkomen waarin hun minderwaardigheid een rol speelt. Ze leven als kluizenaars, kiezen een solistisch beroep en houden hun sociale contacten beperkt.

Ten slotte is er het overcompenseren. Onzekere mensen roepen het hardst en mensen die niet al te gunstig over zichzelf denken, verhullen dat dikwijls voor zichzelf en voor anderen, door juist hoog op te geven van hun kwaliteiten. Soms op het irritante af, maar soms op een dermate bekwame wijze, dat ze zomaar lijsttrekker kunnen worden van een politieke partij. Wie kent ze niet?

Schema en psychische klachten
Schema’s ontstaan niet voor niets. Zelfs het meest onaangepaste schema heeft ooit gediend om erger te voorkomen. Maar de prijs die wij betalen, kan hoog zijn. Niet leven volgens de eisen die uit een schema voortvloeien, leidt tot stress die zich vaak laat voelen als angst of depressie. Als het schema vraagt om zelfopofferend gedrag, terwijl het gezonde, volwassen deel van de persoon zich steeds meer verzet tegen dat wegcijferen of wanneer het schema meer zelfopoffering vraagt dan door de persoon op te brengen is; wanneer het disfunctionele schema voorbijschiet in zijn doel om spanning weg te halen, nogmaals, dan zijn angst en depressie vanzelfsprekende gevolgen.
Bij mensen die op deze gebieden klachten hebben, volstaat het niet om een nette diagnose volgens de DSM te stellen, de onderzoeker moet zich ook verdiepen in het patroon van schema’s die ten grondslag liggen aan het gedrag van de persoon in kwestie. Ingrijpen op dit gebied kan minstens zo belangrijk zijn als het voorschrijven van antidepressiva.



Sociologie
Sociologie is de leer van de menselijke samenleving en haar verschijnselen. Voor de individuele patiënt gaat het om alle mogelijke omgevingsfactoren, omstandigheden, met een mooi woord: de sociale context. Bijvoorbeeld het soort werk dat je hebt, huisvesting en inkomen, vriendenkring.



Omstandigheden
Sommige factoren hebben een meer blijvend karakter: iemand is man of vrouw, iemand woont in Nederland, in België of in Maleisië, iemand is de zoon of dochter van de plaatselijke vishandelaar, iemand is getrouwd met een andere vishandelaar, iemand heeft twee kinderen. Andere factoren zijn in principe niet blijvend, maar kunnen wel te lang duren en daardoor stress veroorzaken: een slechte huwelijksrelatie, gedwongen werkeloosheid, gebrek aan financiële middelen. Ten slotte zijn er de factoren met een acuut, incidenteel karakter: het overlijden van een dierbare, een ernstig auto-ongeluk, het zakken voor een examen.
Contextuele psychiatrie, een belangrijk onderdeel van wat vroeger de sociale psychiatrie werd genoemd, richt zich op het buitengebeuren. Externe factoren die onze psychische gezondheid ondermijnen. Alles wat stress veroorzaakt, kan een depressie in de hand werken. Bij veel vormen van depressie is duidelijk dat de stoornis mede is ontstaan door voorvallen in het leven van de betrokkene. In vaktaal heet dat een reactieve depressie, situationeel bepaald.
In de jaren voor de DSM onderscheidde men de exogene van de endogene depressie. Van de eerste soort kan men zich meestal wel voorstellen dat de betrokken persoon vanuit zijn achtergrond of aanleg en onder druk van die bepaalde gebeurtenissen is bezweken, en een depressie heeft ontwikkeld. Voor de endogene (van binnenuit komende) depressie is kenmerkend dat de patiënt ontmoedigd vertelt dat alles in zijn of haar leven goed gaat, dat er nergens problemen zijn, integendeel, er is sprake van een lieve echtgenoot, gezonde kinderen, enzovoort, maar met de verzuchting: ‘Ik kan er niet van genieten’.



Draaglast en draagkracht
Mensen zijn geen tere poppetjes, ze kunnen wel wat hebben. Het vermogen om opgewassen te zijn tegen moeilijkheden noemen we draagkracht: de kracht die een persoon heeft om tegenslagen te verdragen. De hoeveelheid tegenslag, problemen, handicaps en andere bronnen van stress die iemand op zijn levenspad tegenkomt, noemen we de draaglast. Als de last kleiner is dan de beschikbare kracht, is er niets aan de hand. Omgekeerd kan de last te groot en te zwaar worden, en dan gaat het mis. Die persoon komt onder steeds grotere druk te staan en dreigt te bezwijken. Meestal ontstaan er klachten bij iemands zwakste punt, zoals een ketting ook breekt bij de zwakste schakel. De één krijgt een maagzweer, de ander hartklachten of gaat aan de drank. En heel veel mensen worden angstig of depressief.
Iedereen maakt vroeg of laat dingen mee waardoor je uit je evenwicht kunt raken. Verraderlijk zijn gebeurtenissen of omstandigheden die lang voortduren. Voorbeeld: je bent dag in dag uit bezig je zieke moeder of partner te verzorgen. Jarenlang. Dat sloopt je weerstand. En als er dan nog iets vervelends bijkomt – je raakt je baan kwijt of wordt op straat in elkaar geslagen, of je ziet dat een groepje jongelui je fiets vernielt – dan is opeens de maat vol. Wannéér dat gebeurt kan voor ieder mens anders liggen. We hebben allemaal onze grenzen, onze gevoeligheden en kwetsbare punten.
Tegenover dit soort stress veroorzakende zaken staan ook de beschermende factoren. Als je je veilig voelt in je relatie, een goed contact hebt met vrienden, ouders en kinderen, sta je sterker in je schoenen (dat vergroot je draagkracht). Maar als het hard genoeg waait, valt zelfs de sterkste boom om. Met andere woorden: iedereen kan depressief worden.
Er zijn geen omstandigheden waarvan iedereen per definitie depressief wordt. Een voorbeeld is gedwongen werkeloosheid: je solliciteert overal, maar je komt nergens aan de slag. Uit onderzoek blijkt dat je hier meer last van hebt, dat je er depressief en zelfs suïcidaal van kunt worden, wanneer blijkt dat je de enige bent – de enige in de buurt, de straat of in de familie. Ga maar eens naar een verjaardag waar iedereen succesverhalen ophangt en jij als enige alleen maar slecht nieuws hebt.
Ontslag is daarentegen (veel) minder erg wanneer het een massaontslag betreft, wanneer een fabriek failliet gaat. Natuurlijk is dat ook een ramp, maar je hoeft je er persoonlijk niet minder waard door te voelen: het overkomt een heleboel mensen. Het is ook gemakkelijker te verteren wanneer in jouw wijk erg veel werkloze mensen wonen of wanneer bijna iedereen in jouw familie een uitkering heeft. De mens is een sociaal wezen en hij vergelijkt zichzelf dan ook graag met de mensen om zich heen. En het is extra pijnlijk als je het slechter doet dan je broer, je buurman met zijn ‘irritante’ nieuwe auto, de buitenlanders die ‘hier hun hand komen ophouden’.
De kunst is nu om niet in de negatieve emotie te blijven steken. Het maakt ook niet uit of je door pure pech in de problemen bent geraakt, door onrechtvaardigheid of door je eigen schuld (meestal is het van alles wat). Het gaat erom te kijken naar je eigen inbreng, naar wat je er zelf aan kunt doen. Neem even de tijd om stoom af te blazen, flink te mopperen en iedereen de schuld te geven van jouw ongeluk. Maar pak jezelf dan weer bij elkaar en zet je schouders eronder, met of zonder hulp van anderen. Je leeft maar één keer en jij bent de enige die voor je leven verantwoordelijk is en die er iets aan kan doen.
NB Je broer worstelt zonder dat jij het weet al jaren met een alcoholprobleem; je buurman heeft die auto gekocht uit frustratie, omdat hij al jaren ongewild kinderloos is, en die buitenlanders… Neem maar van mij aan dat die het als groep een stuk zwaarder hebben dan jij. Ze hebben zich meer moeten aanpassen, worden overal met de nek aangekeken, zitten klem tussen hun orthodoxe familietradities en de eisen van het moderne westerse leven. Onder deze groep komt gemiddeld vaker depressie voor, heel dikwijls voortkomend uit allerlei psychosociale stress (‘psychosociaal’ wil zeggen dat je psychisch reageert op slechte sociale omstandigheden, zoals armoede, een slechte woning, slechte werkomstandigheden enzovoort).


WEETJE
Stress
Alles wat door onze hersenen wordt gezien als een bedreiging ervaren wij als ‘stress’. Emotioneel staat het systeem ook onder druk. Een mens heeft vanaf het allereerste begin allerlei basisbehoeften, zeker op emotioneel gebied (veiligheid, geborgenheid, liefde, geaccepteerd worden zoals je bent). Als daaraan niet wordt voldaan, levert dat ook stress op en die wordt door onze hersenen ‘vertaald’ in onlustgevoelens, angst, somberheid of een combinatie daarvan. ­Later in ons leven kunnen we dingen meemaken die door de hersenen vergeleken worden met die oudste bronnen van stress, met als gevolg dat we opnieuw angst of depressie voelen.



Post-partumdepressie en life-events
Een bijzondere plaats neemt de post-partumdepressie in: de jonge moeder die kort na de bevalling depressief wordt. De bijzondere omstandigheid, de context, is overduidelijk. Een baby krijgen is een heel bijzondere gebeurtenis voor alle betrokkenen. Hoe is het toch mogelijk dat zelfs een moeder die dolblij is met haar kindje na de bevalling depressief wordt?
Tegenwoordig worden mensen beter gewaarschuwd voor de roze wolk: baby’s zijn niet alleen maar schattig, er is werk aan de winkel en je hele leven wordt op zijn kop gezet. In wetenschappelijke kringen neemt men aan dat iedere ingrijpende gebeurtenis in een mensenleven (life-events in goed Engels) de kans op het ontstaan van een depressie vergroot. Niet alleen negatieve life-events, faillissementen en ander verlies, heel invoelbaar op zichzelf, maar vreemd genoeg ook positieve gebeurtenissen. Misschien omdat een jonge moeder (of vader) zich niet hoort te beklagen over de stress die er ook bij hoort. En iemand die promotie heeft gekregen of naar een groter huis is verhuisd, wordt alleen maar gefeliciteerd. Dan is het lastig om je verdriet te delen over de gezellige collega’s die je moet missen of de leuke buurt waar je eerst woonde.
Bij de post-partumdepressie is er meer aan de hand dan de geboorte alleen. De jonge moeder kan lichamelijk en psychisch behoorlijk uitgeput zijn geraakt en van slag door hormonale veranderingen. Haar weerstand wordt bepaald door hoe haar conditie van tevoren was en van haar biologische kwetsbaarheid. Een mooi voorbeeld van hoe verschillende factoren samen wel of niet een depressie kunnen veroorzaken.



Samenvatting
Als de diagnose depressie eenmaal is gesteld, wil iedere patiënt weten hoe het zo gekomen is. Maar het vervelende is dat er niet één oorzaak is. Zowel aanleg (1), persoonlijkheid (2) als omstandigheden (3) spelen namelijk een rol. Dit wordt toegelicht aan de hand van het biopsychosociale model, dat stoelt op de drie basiswetenschappen biologie, psychologie en sociologie. In biologisch opzicht (1) hebben we te maken met erfelijke factoren (een depressie kan genetisch bepaald zijn) en verworven factoren (conditie, lichamelijke gesteldheid; factoren dus die je in je leven enigermate in eigen hand hebt). Persoonlijkheid (2) is een lastig begrip. Je persoonlijkheid, je karakter bepaalt hoe je tegen problemen aankijkt, hoe je jezelf weert bij tegenslag en verdriet. Het gaat er daarbij in feite om hoe iemand er vanbinnen uitziet en dat zul je moeten afleiden uit iemands gedrag. Aan de wijze waarop psychische problemen vervolgens worden geïnterpreteerd, liggen verschillende theoretische modellen ten grondslag, die nog altijd in beweging zijn. En tot slot hebben de omstandigheden (3) een niet te onderschatten invloed op iemands welbevinden. Denk daarbij aan werkkring, huisvesting, vriendenkring, inkomen enzovoort.




terug verder