Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Dr. Paul Dautzenberg
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Het geheugen

 
Om zich staande te houden in de wereld verzamelt een mens, bewust en onbewust, informatie. Die informatie wordt via een ingewikkeld proces in de hersenen opgeslagen in het geheugen. In dit eerste hoofdstuk wordt de werking van de hersenen en het geheugen uit de doeken gedaan.

Een geheugen om te overleven
Om in een vijandige wereld te kunnen overleven, moeten goede keuzes worden gemaakt en geen fouten worden gemaakt. Je kunt tenslotte maar eenmaal doodgaan. Als een bepaalde keuze of tactiek heeft gewerkt in een vijandige omgeving, is het handig de volgende keer weer zo te handelen. Vaak hoef je die eerste keuze niet zelf te maken, maar wordt die voorgedaan door anderen, zoals leraren of ouders. Je moet die goede keuze dan wel onthouden. Dat gebeurt in het geheugen. Een mens heeft een geheugen nodig om te kunnen overleven. Mensen verzamelen informatie die nodig is om te overleven. Aan de hand van deze informatie maken ze keuzes. Deze keuzes zien we terug in ons gedrag (onbewust of bewust), taal, rekenen, het oplossen van problemen en het nemen van beslissingen.

Het geheugen maakt het de mens ook mogelijk zich los te maken van dagelijkse zaken. Het geheugen maakt ‘hogere’ belevingen mogelijk. We kunnen dromen en religie bedrijven. Volgens sommige filosofen zijn we hier op aarde om herinneringen te verzamelen. Vooral ouderen zullen dit beamen. In tegenstelling tot jongeren mijmeren ouderen over het verleden. Zij herbeleven perioden van hun leven. Ouderen ervaren ‘dat het leven vooruit wordt geleefd, maar achterwaarts wordt beleefd’.
Voor sommige mensen is een goed geheugen een last. Zij kunnen nare ervaringen niet vergeten en vertonen soms vermijdingsgedrag uit angst een vergelijkbare ervaring te hebben. Ook kan de nare ervaring zo heftig zijn geweest dat alle gebeurtenissen rondom zo’n ervaring eveneens vergeten worden. Er ontstaan gaten (lacunes) in het geheugen.

Mevrouw Van Schijndel
Mevrouw Van Schijndel is een 64-jarige vrouw die voor haar ogen een fataal auto-ongeluk heeft zien gebeuren. Voor dit voorval functioneerde zij compleet zelfstandig: ze had een parttimekantoorbaan, runde het huishouden, verzorgde de financiën en reed nog auto. Meteen na het ongeval reageert zij zo vreemd dat de hulpverleners haar ook naar de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis brengen. Zij wordt een dag ter observatie opgenomen. Haar man vreest, net als zijzelf, een acute dementie.
‘Ik weet nog dat ik die dag naar mijn werk ben gegaan, dat denk ik tenminste. Daarna niets meer. Ik weet nu dat het zaterdag is. De vrijdag ben ik helemaal kwijt. Ben ik nu dement?’
Als lichamelijke oorzaken zijn uitgesloten, moeten geheugenklachten zoals die van mevrouw Van Schijndel psychologisch verklaard worden. Het ‘vergeten’ van het auto-ongeval kan verklaard worden als ‘nuttig’. Het herbeleven zou te veel stress hebben opgeleverd. Een acute dementie komt zelden voor. Dit kan optreden als er sprake is van een herseninfarct op een vervelende dus belangrijke plaats, zoals in de hersenstam of zowel aan de linker- als rechter-thalamushelft. Als andere signalen ook die kant op wijzen, kan een CT-scan van de hersenen uitsluitsel geven.
Informatie verzamelen
Het merendeel van levensbelangrijke informatie verzamelt de mens via de ogen. Wij zijn volgens sommige biologen ‘echte kijkdieren’. Informatie die we actief uit ons geheugen kunnen oproepen, bestaat ook vaak uit beelden. Denk aan je laatste vakantie en je ziet beelden voor je. Denk aan je jeugd en je denkt eveneens in beelden. Deels zijn dit beelden die door een fotocamera zijn vastgelegd, maar een ander gedeelte zijn je herinneringen. Het geheugen is echter meer dan deze ‘plaatjes’. We kunnen ons plotseling ook iets herinneren bij het horen van bepaalde muziek of het ruiken van een bepaalde geur. Ook kunnen we na jaren toch weer skiën, zodra we het ritme weer durven te voelen. Het geheugen bestaat dus ook in een bewegingsritme.



Werking van de hersenen
Onze hersenen zitten ongelooflijk ingewikkeld in elkaar. Hoe ze precies werken, weet nog steeds niemand. Wel weten we bijvoorbeeld dat er zich in de hersenen zeker honderd miljard (100.000.000.000) zenuwcellen bevinden. Elk van deze cellen heeft weer talrijke verbindingen (synapsen) met andere hersencellen. Daarbij geldt dat hoe meer verbindingen er zijn, hoe meer informatie er kan worden doorgegeven en opgeslagen. Deze verbindingen blijken geen vaste verbindingen te zijn, maar zich afhankelijk van behoefte en training te vormen en te worden opgeheven. Mede hierdoor wordt de enorme flexibiliteit en daarmee de geheugencapaciteit gedeeltelijk verklaard. Zenuwcellen hebben ieder hun eigen functie. Zo dient een grote groep voor de besturing van de spieren (middelste gedeelte van de hersenen) en ontvangt een andere grote groep via onze zintuigen allerlei impulsen uit de omgeving (achterste gedeelte van de hersenen). Een derde groep zenuwcellen (voorste gedeelte van de hersenen) coördineert al deze gegevens en neemt bewust of onbewust beslissingen. Tussen deze groepen bevinden zich cellen die (onbewust) nieuwe informatie onderling met elkaar vergelijken, maar ook met oude informatie: ons geheugen.
Bijna alle informatie ligt opgeslagen in de schors aan de buitenkant van onze hersenen, maar naarmate we meer onderzoek doen, blijken steeds meer delen van de hersenen een functie te hebben in het geheugen. Zo ligt de opslag van emoties en het ritme van bewegingen meer in evolutionair oudere en diepere delen van de hersenen en de opslag voor beweging in de kleine hersenen. Daardoor kunnen we misschien beter zeggen: het proces van het geheugen is in het geheel van onze hersenen aanwezig.

Chronische stress

Niet alleen acute stress maar ook chronische stress is slecht voor het geheugen. Chronische stress zorgt voor een verhoogde spiegel van het hormoon cortisol, waardoor het deel van de hersenen waar een belangrijk onderdeel van het geheugen zetelt (de hippocampus) kleiner wordt.


Opslag van informatie
De manier waarop informatie in onze hersenen ligt opgeslagen, is niet duidelijk. Er bestaan aanwijzingen dat een hersencel door een signaal elektronisch ‘geladen’ kan worden. Hoelang zo’n lading in stand blijft, kan wisselen van minuten tot dagen of zelfs weken. Verder lijkt het erop dat informatie opgeslagen kan worden in de vorm van een bepaalde chemische codering via neurotransmitters (chemische verbindingen, letterlijk: zenuwoverbrengers) in de synapsen.
Een zenuwcel heeft vele uitlopers die in contact staan met andere zenuwcellen. Deze zenuwcellen ‘praten’ met elkaar door middel van elektrische signalen die zeer snel door de uitlopers worden doorgegeven. Deze uitlopers zijn goed geïsoleerd door de witte stof.
Nu zitten zenuwcellen niet direct aan elkaar vast zoals elektriciteitsdraden in onze huizen. Het elektrische signaal kan daardoor niet zomaar van de ene zenuwuitloper direct doorlopen naar de andere zenuwcel. In de synaps, de plek waar het uiteinde van de ene zenuwcel vlak tegenover dat van een andere ligt, worden daarom neurotransmitters afgescheiden door de cel, die een elektrisch signaal naar de buurcel wil doorgeven. Kleine hoeveelheden daarvan bevinden zich in blaasjes in het zenuwuiteinde. Een elektrisch signaal zorgt ervoor dat de blaasjes openspringen, waardoor de neurotransmitters in de synapsspleet tussen beide zenuwuiteinden terechtkomen.
Op het oppervlak van de andere, tegenoverliggende zenuwcel, bevinden zich de receptoren (de ontvangers). Die geven, zodra ze met een bij hen passende neurotransmitter in aanraking komen, een eigen stroomstootje af, waarna het elektrische signaal zijn weg verder kan vervolgen in de zenuwcel die deze receptoren op het oppervlak heeft. Het is echter niet zo dat zich tegenover elk zenuwuiteinde maar één ander zenuwuiteinde bevindt. De werkelijkheid is veel ingewikkelder. Ieder zenuwuiteinde staat driedimensionaal in contact met een scala van andere zenuwcellen. Al deze verschillende contacten kunnen leiden tot remmen, stimuleren, een beetje remmen, later remmen, een beetje stimuleren, later stimuleren enzovoort. Eén elektrisch signaaltje kan zo verschillende vervolgstappen uitlokken. Juist dit principe maakt onze hersenen complex, maar stelt ze ook in staat op zoveel verschillende reacties wisselend te reageren.
Wanneer het signaal is doorgegeven, wordt de neurotransmitterstof die zich nog in de ruimte tussen de zenuwcellen bevindt, meteen weer afgebroken. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de neurotransmitter acetylcholine door het in de hersenen aanwezige enzym acetylcholinesterase. Dit principe is van belang, want het is de basis voor de huidige behandeling van de ziekte van Alzheimer. De afbraakproducten worden gebruikt om nieuwe neurotransmitterstoffen te maken, die weer worden opgeslagen in de blaasjes van de zenuwuiteinden.

Figuur 1. Prikkeloverdracht van de ene zenuw op een andere in de synaps
A: als de elektrische impuls (2) in het zenuwuiteinde (3) aankomt, komt de neurotransmitter (acetylcholine) vrij. Acetylcholine reageert met de receptoren (6) in de ontvangende zenuw (7); 
B: acetylcholinesteraseremmer (ACR) (10) zorgt ervoor dat het acetylcholine langer in de synapsspeelt aanwezig blijft, zodat de prikkeloverdracht beter wordt.



Acetylcholine
Er bevinden zich in de hersenen verschillende soorten neurotransmitters. Een daarvan is acetylcholine, dat op veel plaatsen in de hersenen aanwezig is. Acetylcholine heeft meerdere functies. In bepaalde delen van de hersenen zorgt het ervoor dat de opslag van nieuwe feiten en gebeurtenissen in ons geheugen goed verloopt. In andere delen van de hersenen speelt het een rol bij de regeling van de spanning in de spieren.
Omdat het proces van onthouden zich mogelijk in alle hersengedeelten afspeelt, zijn voor het geheugen waarschijnlijk ook andere neurotransmitters van belang, zoals glutamaat en noradrenaline. Acetylcholine lijkt als een soort regisseur deze andere neurotransmitters zo te beïnvloeden dat een tekort aan acetylcholine een negatief effect heeft op geheugentaken.

Mevrouw Steenbakkers
Mevrouw Steenbakkers is 56 jaar, ze is ruim een jaar gescheiden en is twee maanden geleden verhuisd. Bij haar oudste kleindochter van drie jaar is vier maanden geleden leukemie vastgesteld. Mevrouw Steenbakkers heeft veel moeite om in haar nieuwe omgeving de boel draaiende te houden. Zij vreest dementie, waaraan haar moeder ook leed. Haar dochter denkt dat er wat anders aan de hand is.
‘Ik heb de afgelopen maanden onder andere een nieuwe bankrekening en telefoon gekregen. Ik kan de nummers maar niet onthouden. Als mijn dochter mij belt om door te geven in welk ziekenhuis mijn kleindochter is opgenomen, vergeet ik meteen haar kamernummer. En ik ben mijn mobiel geregeld kwijt.’
‘Heeft mijn moeder niet gewoon te veel voor haar kiezen gekregen de afgelopen tijd? Toen mijn ouders nog bij elkaar woonden, was mijn vader degene die alles voor haar bijhield. Is dit niet gewoon een kwestie van tijd?’
Mevrouw Steenbakkers lijkt moeite te hebben met het werkgeheugen en mogelijk met het kortetermijngeheugen. Stress en onrust maken dat je minder goed je aandacht kunt verdelen of richten. Dit lijkt bij mevrouw Steenbakkers het geval.

Werkgeheugen als kladbriefje
Enigszins versimpeld kan het werkgeheugen vergeleken worden met een kladbriefje waarop een beperkte hoeveelheid informatie kortdurend genoteerd wordt. Het korte geheugen is een bureaublad met binnengekomen informatie die wordt verwerkt en, indien belangrijk, naar de grote boekenkast (langetermijngeheugen) wordt overgebracht.



Werking van het geheugen
Het geheugen is een ingewikkeld proces waarmee we ons vermogen aanduiden om informatie te onthouden. Het geheugen kan op vele manieren onderverdeeld worden. Door mijn patiënten en hun mantelzorgers wordt over het algemeen het volgende onderscheid gemaakt, zonder dat we zeker weten of dit, behalve op drie verschillende processen, ook op drie verschillende plaatsen in de hersenen wijst.
De term langetermijngeheugen gebruiken we voor het bewaren van de informatie die enige maanden tot vele jaren geleden is verworven. Onder kortetermijngeheugen verstaan we het bewaren van informatie uit een periode van enkele weken of dagen geleden. Het werkgeheugen is het proces dat ervoor zorgt dat de informatie tijdelijk (dat is seconden of minuten) aanwezig blijft, totdat ze volledig is gebruikt, ofwel definitief is opgeslagen ofwel verwijderd.

De werking van het geheugen is in drie stappen onder te verdelen: opnemen, bewaren en opdiepen van informatie.

Stap 1: opnemen van informatie
Informatie uit de buitenwereld wordt door onze zintuigen verzameld, bijvoorbeeld door onze ogen en oren. Deze zintuiglijke prikkels worden via speciale zenuwbanen doorgegeven aan verschillende hersengebieden in het achterste gedeelte van de hersenen en daar verwerkt door deze onder andere te vergelijken met oude informatie. Dit geheel van informatie opnemen en verwerken, noemen we waarnemen.
Waarnemen doen we selectief. Als we op zoek zijn naar een gevallen contactlens, kijken we ‘anders’ dan wanneer we een boek lezen of tv-kijken. Het doel van het waarnemen bepaalt hoe we waarnemen. Als je bijvoorbeeld je zeer kostbare armband in de douche bent kwijtgeraakt, kijk je daar gecontroleerd en bijzonder intensief naar, terwijl je blik op weg naar de douche minder scherp lijkt. Op weg naar de douche passeer je bijvoorbeeld zonder te botsen een huisgenoot, die iets in de hand heeft. Je bent echter zo bezig met je armband, dat je later niet meer weet wat je huisgenoot in de hand heeft gehad.

Veel informatie verwerk je dus zonder dat je je daarvan bewust bent. In de douche richt je al je aandacht op het zoeken. Als je huisgenoot je iets vraagt, dringt dat eerst niet tot je door vanwege de gerichte aandacht voor het zoeken. Terwijl je luistert naar je huisgenoot, zoek je door. Je bent dus in staat je aandacht te verdelen en als het moet dit vol te houden tot je de armband hebt gevonden. Pas als je stopt met zoeken en in je geheugen je handelingen nagaat, herinner je je dat je de armband bewust in je slaapkamer hebt afgedaan. Dit bewust werken in je geheugen doe je in je werkgeheugen, terwijl je een beroep hebt gedaan op het korte- en langetermijngeheugen. Het werkgeheugen is beperkt in zijn vermogen, terwijl de omvang van het werkgeheugen voor de ene mens anders is dan voor de andere.

Figuur 2. Het opnemen van informatie.

Stap 2: bewaren van informatie
De opgenomen zintuiglijke prikkels worden via het werkgeheugen voor een deel opgeslagen in het langetermijngeheugen, dat nooit vol is. In dit langetermijngeheugen kunnen we informatie via een eigen systeem opslaan. Nu je zo geschrokken bent, zul je in de toekomst het neerleggen van je armband beter registreren en verwerken, en zo beter onthouden. Emoties, zoals schrikken, vormen dus een belangrijke manier om informatie op te slaan, maar dat kan natuurlijk ook door het systematisch gebruik van tijd, alfabet (denk bijvoorbeeld aan ezelbruggetjes) of plaats (waar was ik toen het gebeurde?).

Figuur 3. Het bewaren van informatie.


Stap 3: opdiepen van informatie
Vaak kost het opdiepen van informatie ons geen enkele moeite, maar dat is niet altijd zo. Soms moeten we heel bewust zaken opzoeken. Met behulp van allerlei aanwijzingen die we tot onze beschikking hebben, kunnen we dit zoekproces sturen. Hierbij maken we gebruik van de in stap 2 genoemde emoties, alfabet, tijd, plaats enzovoort. Een andere manier om informatie op te diepen is voor jezelf een aantal mogelijkheden te opperen en via herkenning de juiste informatie te verkrijgen. Een enkele maal zijn de emoties zo heftig geweest dat je daar liever niet aan herinnerd wilt worden. Op dat moment blokkeren emoties juist herinneringen en kan heel selectief geheugenverlies optreden.

Figuur 4. Het opdiepen van informatie.


Hersenscans
In tegenstelling tot bijvoorbeeld het hart of de longen, kunnen we het geheugen niet aanwijzen of fotograferen, omdat het geheugen geen orgaan is. Wel bestaan er verschillende vormen van hersenscans, die een indruk kunnen geven over de hersenen.

De diagnose dementie kan nooit door middel van een hersenscan gemaakt worden. Een scan kan de diagnose wel ondersteunen. Bij het beoordelen van zo’n hersenscan is kennis nodig van de opbouw van de hersenen.
Niet iedere patiënt met geheugenklachten of geheugenstoornissen hoeft een hersenscan te krijgen. Als een oorzaak buiten de hersenen zeer aannemelijk is, voegt een hersenscan niets toe. Als de verdenking op een hersentumor of een te genezen vorm van dementie (zie pag. 117) bestaat, is een hersenscan min of meer verplicht. Tabel 1 geeft aan bij welke patiënt een scan noodzakelijk wordt geacht.

Patiënten bij wie het maken van een scan (beeld­vormend onderzoek) noodzakelijk wordt geacht bij de diagnostiek van geheugenklachten:

jonger dan 65 jaar;
met klinische verdenking op een neurochirurgisch behandelbare aandoening;
met verdenking op vasculaire dementie;
met verdenking op een snel progressieve dementie, zoals Creutzfeldt-Jakob;
met verdenking op frontotemporale dementie;
met twijfel over de diagnose ziekte van Alzheimer.

De heer van Boxtel
De 74-jarige heer Van Boxtel is sinds zeven maanden weduwnaar en heeft geheugenklachten. Uitgebreide testen van het geheugen en zijn stemming leveren geen afwijkingen op. Hij is gerustgesteld. Zijn enig kind, een dochter van 41 jaar, niet. Zij woont ruim 100 kilometer van haar vader vandaan, heeft een niet zo succesvol eigen bedrijf en een gezin met beginnende pubers.
‘Ik maak me zorgen over mijn vader. Hij maakt er thuis een rommeltje van. Kunt u niet een foto van zijn hoofd maken, zodat ik zeker weet dat hij geen dementie heeft?’

Tabel 1. Patiënten bij wie het maken van een scan (beeldvormend onderzoek) noodzakelijk wordt geacht bij de diagnostiek van dementie.


CT-scan
Een CT-scan (computertomografie) is een speciale röntgentechniek, waarbij een groot aantal kleine röntgenopnamen wordt gemaakt, die door de computer tot een beeld worden samengevoegd. Door dat op verschillende hoogten van het hoofd te doen, ontstaat een aantal afbeeldingen die elk een bepaald ‘plakje’ van de hersenen laten zien. Van de hersenen worden bij een gewone CT-scan ongeveer vijftien afbeeldingen gemaakt.
Op de CT-scan zijn alleen de grove afwijkingen te zien en niet de microscopische veranderingen van de hersencellen of relatief kleine schades aan de bloedvaten. Toch geeft een CT-scan bruikbare informatie bij het vaststellen van de waarschijnlijke aard van de hersenziekte.
Bij de ziekte van Alzheimer is er sprake van een versnelde verschrompeling van de buitenkant van de hersenen (hersenatrofie). Noors onderzoek uit 2012 laat zien dat bij normale veroudering de hersenen ook dunner worden, maar dat bij de ziekte van Alzheimer dit dun worden versterkt wordt. Overigens kan ook bij normale veroudering het dun worden versterkt optreden. Een CT-scan alleen kan dus nooit het onderscheid maken tussen normale veroudering en de ziekte van Alzheimer. Een routine CT-scan van de hersenen bij een duidelijk patroon volgens de ziekte van Alzheimer is dus niet altijd noodzakelijk. In de regel wordt een scan bij een vermoeden van de ziekte van Alzheimer alleen gemaakt bij patiënten jonger dan ruwweg 75 jaar.

Een CT-scan kan wel de diagnose van andere vormen van dementie waarschijnlijker maken. Op zoek naar nieuw ontstane vaatschade in de hersenen wordt bij een acute knik in geheugenfuncties vaak een CT-scan op een Eerste Hulp van een ziekenhuis afgesproken. Soms zijn daar binnen een paar dagen verscheidene CT-scans voor nodig. Bij de vasculaire dementie die veroorzaakt wordt door kleine of grotere herseninfarcten zijn duidelijke afwijkingen op de CT-scan zichtbaar: donkergekleurde vlekken ergens in het hersenweefsel. Ook worden bij chronische vaatschade in de hersenen afwijkingen in de dichtheid van de witte stof gezien (leukoaraiose).
Bij normal pressure hydrocephalus worden vergrote hersenholten gezien.
Bij een hersentumor treffen we bij een CT-scan (vaak met zogenoemd contrast) een structuur aan op een plaats waar die niet thuishoort.

MRI
Bij een MRI (magnetic resonance imaging) worden, net zoals bij de CT-scan, dwarsdoorsneden van de hersenen zichtbaar gemaakt. Er worden echter geen röntgenstralen gebruikt, maar een magneet en radiogolven. De magneet trekt alle waterstofatomen in het te onderzoeken lichaamsdeel in dezelfde richting. Vervolgens worden er radiogolven van een bepaalde frequentie gericht. De teruggekaatste radiogolven worden vervolgens door een antenne opgevangen, door een computer geanalyseerd en in een beeld omgezet. Omdat elk type weefsel (spier, bot, hersenweefsel) en hersenvloeistof een verschillend watergehalte hebben, kaatst het ene type weefsel de radiogolven anders terug dan het andere type . Zo levert een MRI van het hoofd een nauwkeuriger beeld van de hersenstructuren dan een CT-scan. Vooral kleine beschadigingen, zoals bij vasculaire dementie, worden op een MRI beter zichtbaar.
Bij de ziekte van Alzheimer wordt met een MRI beter dan met een CT een verlies van hersenzenuwen aangetoond in het gebied waar de ziekte van Alzheimer over het algemeen het eerst schade laat zien, namelijk in de hippocampus. De mate van volumeverlies wordt daarbij uitgedrukt in een visuele schaal volgens Scheltens.
De eventueel optredende schade van de witte stof (chronische vaatschade) wordt uitgedrukt volgens de schaal van Fazekas.
De CT en de MRI geven de structuren, de bouwstenen van de hersenen aan. Zij kunnen echter niets zeggen over het functioneren van de hersenen.

SPECT
Bij een SPECT (single-photon emission computed tomography) wordt licht radioactief materiaal in de bloedbaan gespoten, dat zich over het hele lichaam verspreidt. Als je een camera die gevoelig is voor radioactief materiaal op de hersenen richt, kun je de mate van bloeddoorstroming van de verschillende hersendelen beoordelen, wat weer iets zegt over de functie van die hersengebieden.
Een gelijkmatig verlies van hersenfunctie of een symmetrisch verlies van de hersenen op het niveau van de slapen (aan de temporaalgebieden) zijn suggestief voor de ziekte van Alzheimer. Een meer grillig verlies of verlies op één gebied is meer suggestief voor vasculaire dementie.

PET
Bij een PET (positronemissietomografie) wordt een licht radioactief materiaal in de bloedbaan gespoten, dat zich over het hele lichaam verspreidt. Afhankelijk van het gebruikte materiaal en de plaats van de camera kunnen specifieke weefsels zichtbaar worden gemaakt. Bij onderzoek naar de ziekte van Alzheimer kunnen stoffen gebruikt worden die zich binden aan het voor de hersencellen ‘giftige’ amyloïd. Als er veel amyloïd zichtbaar wordt, is de kans groter dat er sprake is van de ziekte van Alzheimer. Tot nu toe was dit onderzoek alleen mogelijk in het kader van wetenschappelijk onderzoek, beperkt tot enkele centra. In 2013 wordt het licht radioactief materiaal dat amyloïd zichtbaar maakt, ook buiten dit wetenschappelijk onderzoek beschikbaar. Vanaf 2013 zullen meer afdelingen dit onderzoek gaan uitvoeren.
Het nadeel van de PET ten opzichte van de SPECT is dat over het algemeen het gebruikte radioactieve materiaal minder lang houdbaar is. Nadat het radioactieve materiaal ‘gemaakt’ is, moet het snel worden gebruikt.



Samenvatting
Om te overleven verzamelen mensen informatie, en het grootste deel daarvan gebeurt via de ogen. De hersenen zorgen ervoor dat de verzamelde informatie wordt opgeslagen in het geheugen. Hoe die hersenen dat precies doen, is nog altijd niet duidelijk. In ieder geval lijkt het erop dat de informatie wordt opgeslagen in de vorm van een bepaalde chemische codering via neurotransmitters in de synapsen (verbindingen tussen de zenuwcellen). Neurotransmitters zijn chemische stoffen die ervoor zorgen dat de informatie tussen zenuwcellen wordt doorgegeven. Een van die neurotransmitters is acetylcholine en dat zorgt er onder andere voor dat de opslag in het geheugen goed verloopt. Het geheugen zelf is een ingewikkeld proces, dat wordt onderverdeeld in een langetermijngeheugen (vele jaren), een kortetermijngeheugen (enkele weken of dagen) en een werkgeheugen (tijdelijke opslag). Naast het opnemen en bewaren van de informatie heeft het geheugen ook als taak de informatie op te diepen.
Het geheugen is geen orgaan, wat maakt dat het niet kan worden gefotografeerd. Wel is het mogelijk een scan van de hersenen (CT, MRI, SPECT of PET) te maken, maar dat betekent nog niet dat dat bij iedere patiënt met geheugenproblemen noodzakelijk is.





verder




Ook dementie doet pijn

Auteur(s)
Dr. Paul Dautzenberg

Prijs: € 21,95
ISBN: 9789491549342

Ook dementie doet pijn



Auteur(s) : Dr. Paul Dautzenberg
Prijs : € 21,95
ISBN : 9789491549342