Hartelijke dank voor uw bijdrage


Auteur:
Drs. Martijn Engelsman
 
In samenwerking met :  



lettergrootte: A  A  A
Oorzaken en vóórkomen

Epilepsie kan ontstaan door een groot aantal verschillende aandoeningen. In ruim de helft van de gevallen kan (nog) geen oorzaak worden gevonden. De epilepsie noemt men dan idiopathisch.
Epilepsie wordt symptomatisch genoemd als een hersenbeschadiging de oorzaak is. De aanleiding van de hersenbeschadiging kan heel divers zijn: een hersenbloeding, een zware hersenschudding, een hersentumor of een hersenontsteking. In veel gevallen kan de hersenbeschadiging niet eens aangetoond worden. Als dat het geval is, maar de epilepsie is waarschijnlijk wel symptomatisch, dan spreken we van cryptogene epilepsie.
Bij het ontstaan van epilepsie spelen vaak meerdere factoren een rol. Ook erfelijkheid en externe (uitlokkende) omstandigheden kunnen van invloed zijn.

Mogelijke oorzaken
Epilepsie kan ontstaan voor of tijdens de geboorte. Een infectie of ziekte tijdens de zwangerschap, een aangeboren hersenafwijking of zuurstofgebrek tijdens de geboorte, kunnen later epilepsie tot gevolg hebben. Een minimale hersenbeschadiging gecombineerd met een zekere aanleg is soms al genoeg om later epilepsie te ontwikkelen.
Epilepsie kan het gevolg zijn van een hersenbloeding, een hersentumor of een hersenbeschadiging na een ongeluk. Een veroorzaker kan ook een ernstige ziekte zijn, zoals hersenvliesontsteking.
Dit hoeft niet te betekenen dat iedereen na een ziekte of door een hersenbeschadiging epilepsie ontwikkelt. Er moet altijd een zekere aanleg zijn. Overigens kan ook alcoholisme de hersenen beschadigen en zo tot aanvallen leiden. Bepaalde aanlegstoornissen, ontstaan tijdens de zwangerschap, kunnen eveneens epilepsie tot gevolg hebben.
Littekenweefsel in de hersenen is vaak verantwoordelijk voor epileptische aanvallen. De littekens zijn ontstaan door een (vroegere) aandoening: een infectie, een abces, zuurstoftekort of een operatie. In de rand van het litteken worden vaak abnormaal functionerende hersencellen aangetroffen.
Soms is alleen een verhoogde (erfelijke) aanleg de oorzaak. De drempel om een aanval te krijgen is dan laag. Als daarbij één of meerdere andere oorzaken optreden, is de kans op epilepsie groter dan bij iemand zonder erfelijke aanleg.

Erfelijkheid
Hoewel duidelijk is dat erfelijkheid een rol kan spelen, bestaan hierover nog veel vragen. In de meeste gevallen hebben mensen met epilepsie meer dan gemiddeld kans om een kind met epilepsie te krijgen. In welke mate deze kans verhoogd is, kan wetenschappelijk vaak niet precies worden berekend. Sommige vormen van epilepsie zijn wel sterker erfelijk bepaald dan andere.
Bij de idiopathische gegeneraliseerde (niet-plaatsgebonden) epilepsieën speelt aanleg de belangrijkste rol. Bij de symptomatische vormen van epilepsie is dat in veel mindere mate het geval, maar daar zijn nu juist weer grote uitzonderingen op. De kans dat een kind epilepsie zal krijgen, kan uiteenlopen van minder dan 1% tot zelfs meer dan 50%. Bepalende factoren daarvoor zijn bijvoorbeeld: type epilepsie, aantal mensen in de familie met epilepsie en de mate van bloedverwantschap tot die familieleden. Zo is voor een kind van een ouder met idiopathische gegeneraliseerde epilepsie de kans op epilepsie ongeveer 8% als epilepsie verder in de familie niet voorkomt. Voor een kind van een ouder met partiële (plaatsgebonden) epilepsie is die kans 2 tot 3%, wederom als deze verder in de familie niet voorkomt en de oorzaak van de epilepsie bij de ouder onbekend is gebleven. Deze kansen kunnen veel hoger zijn wanneer er wel meer epilepsie in de familie of bij eerdere kinderen voorkomt of als er een bepaalde duidelijke erfelijke oorzaak is gevonden.
In alle gevallen is het aan te raden dit met de neuroloog te bespreken. Deze kan zonodig voorstellen een erfelijkheidsdeskundige - klinisch geneticus - om advies te vragen. De erfelijkheidsdeskundige kan de risico's berekenen en op grond daarvan kan een echtpaar bijvoorbeeld besluiten wel of geen kinderen te krijgen.

Onduidelijk
Inmiddels is redelijk bekend wat epilepsie is, wat er tijdens een aanval gebeurt en welke erfelijke aspecten een rol kunnen spelen. Medische wetenschappers weten ook ongeveer hoe de overdracht van signalen in de hersenen verloopt, maar er blijven veel onduidelijkheden bestaan. Daarom wordt onderzoek gedaan naar epilepsie, zodat in de toekomst de kennis toeneemt en de behandeling kan worden verbeterd.

Bij wie?
Exacte getallen over de mate waarin epilepsie voorkomt, zijn niet voorhanden. Mannen hebben ongeveer 15% meer kans om epilepsie te krijgen dan vrouwen. Alleen pyknolepsie (absence-epilepsie bij kinderen) komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens.
Verschillende onderzoekers zijn inmiddels met sterk uiteenlopende cijfers gekomen. Er zijn enerzijds verschillen in aanleg tussen volkeren. Anderzijds is de preventieve gezondheidszorg per land verschillend en komen in de tropen andere ziekten voor dan in gebieden met een gematigd klimaat. Ook speelt het een rol welke onderzoeksmethode is gehanteerd.
Een register waarin alle diagnoses van huisartsen en specialisten in een bepaald gebied worden verzameld, zou een betrouwbare uitkomst kunnen geven. Een betrouwbare registratie bestaat in Nederland (nog) niet. Bij gebrek aan cijfers wordt er in Nederland voor de hele bevolking van uitgegaan dat één op de 150 personen epilepsie heeft. Bij verstandelijk gehandicapten is de frequentie van epilepsie aanzienlijk hoger dan gemiddeld: ongeveer 1 op 3. De hersenbeschadiging die verantwoordelijk is voor hun handicap geeft de verhoogde kans om epilepsie te krijgen.

Gemiddelde leeftijd
Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat epilepsie het vaakst ontstaat (incidentie) in de jeugd, vóór het twintigste jaar. Dan volgt een periode tussen de 20 en 65 jaar waarin relatief weinig nieuwe gevallen worden gesignaleerd. Na het 65e jaar is er weer een grotere kans om epilepsie te krijgen, en die kans stijgt met het toenemen van de leeftijd.




verder